Genootschap rond Geerten Meijsing

Doelstelling Hoe ons te steunen Bestuur Vrienden/Gouden vrienden Boekrecensies Externe links

 

Geerten Meijsing: als een halfgod in Frankrijk

  • Hier zijn de meeste gekkenhuizen

 

Interviews zijn overbodig, doceert Geerten Meijsing aan Jeroen Vullings die hem opzocht in het Franse Uzès. Het werd dus geen gestructureerd gesprek over Meijsings nieuwe roman Dood meisje, maar veeleer een roadmovie met licht filosofische inslag.

 

In zijn essaybundel Stucwerk vertelt Geerten Meijsing dat hij van vroegs af aan twee dingen wilde: weg uit Haarlem, de nette stad waar hij zijn jeugd doorbracht, en in een Snoek rijden. Dat eerste is duidelijk gelukt: de schrijver resideert ofwel in het Italiaanse Lucca, in Amsterdam of in het Franse Uzès. Ik was er dan ook zonder meer van uitgegaan dat hij mij in Avignon, waar hij in het treinstation stond te wachten, direct naar zo'n legendarisch model Citroën zou voeren.

Maar nee. Meijsing rijdt sinds enige tijd in een Citroën Pallas. Voor Nederland is dat ook nog een bijzondere auto, maar in Frankrijk is het, zegt de schrijver, ,,een zigeunerbak”. Waarom rijdt hij niet meer in een Snoek, informeer ik. ,,Ach,” zucht hij, ,,de Pallas is gerieflijker, 's winters had ik bevroren voeten in de Snoek. En iedere pummel met poen rijdt tegenwoordig in Amsterdam in een Snoek.” Vervolgens vraagt Meijsing zich hardop af of we door dat hardnekkige lekken van olie Uzès nog wel zullen halen.

Zo merkwaardig begon het interview. Mea culpa: uw verslaggever, nota bene rijbewijsloos buiten zijn schuld, benadert een van 's lands beste schrijvers in diens hoedanigheid als automobilist. En zo curieus verlopend, hoe aangenaam ook tezelfdertijd, is ons treffen gebleven. Maar, voer ik ter verdediging aan, leven en werk blijken bij een neoromantisch auteur als Meijsing moeilijk te scheiden.

Zijn roman Dood meisje is op de dag van onze ontmoeting verschenen. Van Meijsings uitgever heb ik het eerste exemplaar meegekregen om de schrijver te overhandigen. Dat kan, spreken we af, het best in mijn hotel in Uzès gebeuren. Op straat zou dat maar aanstoot geven.

We lopen zwijgend naast elkaar. Om de stilte te verbreken mompel ik: ,,Gide kwam hier toch vandaan, niet?” Dan zegt Meijsing: ,,Weet je dat je meer en meer op Curzio Malaparte gaat lijken?” Juist.

We passeren een meute schoolkinderen. Eerbiedig wijken ze voor de schrijver opzij.

Zijn antieke stok met zilveren knop tikt parmantig op het plaveisel, de pijp fier opgeheven in de mondhoek, een bonte zijden sjaal om de hals, met last but not least een zwarte baret op het hoofd. Ouder geworden maar nog altijd een dandy. ,,Het is de buitenlander, de buitenlander,” hoor ik fluisteren.

Op plaats van bestemming tovert de schrijver een fles champagne uit zijn bruinleren doktersvalies. Ik overhandig hem het eerste exemplaar, laat de toespraak achterwege waarin ik het boek zou bejubelen als maniakaal in de hoogste literaire betekenis, en de schrijver ontdooit. Hij vertelt dat de paperback naar zijn uitdrukkelijke wens niet gelijmd maar ingenaaid is. Breek je het open - en tot mijn stille ontzetting voegt hij de daad bij het woord - dan valt het niet uit elkaar. Het is duidelijk dat hij popelt om zijn tekst in boekvorm te herlezen, maar de geboren gastheer in hem neemt de regie over. De bedoeling van zo'n interview is natuurlijk ook om te laten zien hoe de schrijver leeft, raadt hij. Om vervolgens een zeer aanlokkelijk programma te schetsen: van een rondleiding op zijn domein, een bezoek aan andere expats , tot een diner deepdown de Camargue. En ja, we moeten natuurlijk ook de zee zien en vooral ergens ,,écht goed” eten. Het interview, roep ik, wanneer doen we het interview? Dat komt wel goed, zegt Meijsing. Maak je geen zorgen.

Anderhalve dag later, als we allebei licht uitgeput zijn en amechtig op een terras neerploffen, zegt de schrijver opeens bezorgd: ,,Maar zo'n interview bevestigt natuurlijk weer het beeld van zo'n Meijsing die het goede leven leidt.” ,,Dat is toch ook zo?” reageer ik. De schrijver: ,,Nee, als ik hier alleen ben, leef ik ook perioden heel frugaal.” De verslaggever: ,,De mensen lezen juist graag over het goede leven.” De schrijver: ,,Zou het?”

Zijn schrijfkamer op het landgoed dat hij tijdelijk in bruikleen heeft, wijst onmiskenbaar op soberte en werkdrift. Meijsing werkt momenteel aan twee boeken tegelijk: een roman op te dragen aan zijn zeventienjarige dochter Iris en een erudiet werk over de ,,wellevenskunst”. Stapels volgetikte papieren, naslagwerken, andere boeken en lege flessen mineraalwater zwerven door het vertrek. Het enige apparaat dat niet direct in dienst lijkt van de volvoering van het schrijfproces is een oude cassetterecorder, waaruit jazzmuziek schalt. Een sacraal vertrek waar de schrijver alleenheerser is en geen invloeden van de buitenwereld toelaat.

Misschien is dat ook de reden dat het interview grotendeels in Meijsings Pallas plaatsvond, op onze kilometerslange bezichtiging van zijn seculiere biotoop, kriskras door de Provence, de Cévennes, de Camargue. Kilometerslang, want van Uzès is hij niet bijzonder gecharmeerd, zeker in vergelijking met het hemelse Lucca, waar hij een paar maanden niet terecht kan wegens een verbouwing van zijn huis. ,,Wat is het hier fijn,” merk ik op bij het zicht op de landerijen rond zijn huis. Waarop hij riposteert: ,,Deze streek heeft de meeste gekkenhuizen van Frankrijk. De mistral maakt je gek.” Om daarna een opengeslagen Italiaanse krant ter hand te nemen en een vrouw in een haute couture-advertentie aan te wijzen: ,,Kijk, in die kleren gaan ze in Lucca gewoon boodschappen doen. Kom daar hier maar eens om.”

En daar gaan we weer in de Pallas, nu op weg naar het kustplaatsje Les-Stes-Maries-de-la-Mer. Terwijl hij met extreem hoge snelheid (,,sportief”) op een onverharde weg rijdt, laat hij en passant los dat zijn laatste lifter, een schooljongetje, groen van ellende uitstapte na zo'n vitalistische exercitie. Zeer voorstelbaar, maar niet versaagd: dit is een uitstekende gelegenheid voor het interview. Een genre waarvan Meijsing de zin in het geheel niet inziet. ,,Het interview als spreekbuis voor 's auteurs denkbeelden is overbodig. Het soort boeken dat ik schrijf neigt naar wat vroeger een ideeënroman werd genoemd. Daar zitten tal van overwegingen over kunst ingebakken. Van mijn uitgever hoor ik dat mensen in kranten graag interviews zien, zelf lees ik liever een groot essay over een boek. Vermoedelijk geldt dat voor veel auteurs, tenzij ze grote egotrippers zijn en zichzelf willen horen praten. De meeste schrijvers zijn van nature geneigd om zo weinig mogelijk te praten en zuinig te zijn met woorden. Dat ik een halve gek ben die sinds kort geen rem meer op mijn mond heeft, wat me natuurlijk ook in moeilijkheden brengt, dat is een andere kwestie. Spreken is zilver, zwijgen is goud - een overblijfsel van mijn op vijftienjarige leeftijd beleden zen-geloof.”

Op een recht stuk weg krijgen we daarna de gelegenheid om de taak van de romanschrijver aan de orde te stellen. ,,Uit reacties weet ik dat ik met mijn twee laatste romans - Tussen mes en keel over mijn depressie en Dood meisje over de liefde voor een borderliner - met zulke psychiatrische boeken, anderen die met dergelijke kwesties of verschijnselen te maken hebben een plezier doe. Verder heb ik natuurlijk een artistieke boodschap die ik uitdraag in de boeken en dat zijn de boeken zelf. Daar zit vanzelf een politieke, een ethische of een sociale stellingname in bij monde van je personages.”

,,Vroeger ging je met de lagere school eenmaal per jaar naar een voorstelling. Naar dat vreselijke concertgebouw in Haarlem, een soort hangar van een garage met afbladderend stucwerk. Na enige vertraging kwam daar een heel sleetse man in oberpak, zwaar aan de suiker en aan de alcohol, het podium opschuifelen. Die man was al eng maar hij had daarbij een nog engere pop bij zich. Met zo'n brede grijnsmond, waarbij de onderkaak openhing. Die pop zat dan op z'n schoot en die zei allemaal dingen waar die man zich voor verontschuldigde. Een buitengewoon goede truc die ik dan ook gebruik in de proloog van Dood meisje . De schrijver is de buikspreker en de roman is de pop die er alles uitflapt. Uitlatingen die opzettelijk shockerend zijn, omdat het de taak van de romanschrijver is - zwaarwichtig, hè - om dingen aan de kaak te stellen en mensen tegen het been te schoppen. Romankunst met als doel louter plezier - of zoals Grunberg pleegt te zeggen: 'vaudevillewerk' - dat gaat mij te ver. Ik wil vooral opinies tegenspreken.”

De schrijver als libertijn? vraag ik met nauwelijks bedwongen zenuwen, want Meijsing giert met twee banden door een haarspeldbocht. Onderwijl steekt hij de pijp nog eens aan en formuleert bedachtzaam: ,,Zeker in de achttiende-eeuwse betekenis van het woord. Maar ik zou mezelf bij voorkeur, omdat ik als liefhebberij de antieke filosofie heb, een scepticus noemen. Niet overal een oordeel over hebben maar de oordelen van anderen onmiddellijk aan de kaak stellen. Dat is is volgens mij ook de algemene taak van de filosofie. Kijk, tegenargumenten zijn altijd sterker dan pro-argumenten of stellingen; een negatief argument wint het altijd. De filosofie heeft dus een negatieve taak en als je daarvan uitgaat, heb je het meest aan de zienswijze van de sceptici. Een dier kan in tegenstelling tot een mens niet anders dan onmiddellijk reageren op de omgeving, het heeft geen tussenruimte zoals wij waarin je je oordeel kunt opschorten en waarin niet-handelen altijd beter is dan wel handelen.”

Meijsing ontwijkt op het nippertje bij een spontane inhaalmanoeuvre een aandenderende vrachtauto. Misschien komt het door die situatie, een vleugje Eros en Thanatos hoort daar tenslotte bij, maar plots hebben we het over de Schoonheid. Met een hoofdletter. De schrijver: ,,Ik ben op zoek naar vrouwelijk schoon, als ik dat zie word ik er als een gek door aangetrokken! Gisteren keken we in dat restaurant uit op de ravissante blote rug van die jonge vrouw die met haar werkgever, zo'n uitgebluste oude man, mogelijk om redenen van materieel gewin, zat te dineren. Dat was een buitengewoon opwindend, spannend schouwspel en het maakte de avond extra aangenaam. Het liet ons niet onbewogen. Jij goot abusievelijk water in mijn glas witte wijn, wat op zich onvergeeflijk is, maar in dit geval niet. Toch hinderde die rug ons gesprek niet en dat heeft met de ouderdom te maken.”

,,Ik bedoel ermee dat ik niet meer de jeugdige drang heb om overal kathedralen en kastelen te gaan bezoeken en musea van binnen te gaan bekijken. Dat heb ik een groot deel van mijn leven gedaan met een enorme nieuwsgierigheid en daardoor is de wereld ook gaan leven voor mij. Momenteel schift mijn artistieke positie, ik ben geen fanatieke aanhanger van het l'art pour l'art meer, en dat bevalt me goed. Ik heb heel erg in het standpunt van de kunst omwille van de kunst geloofd, ben ermee opgegroeid in een tijd dat het helemaal niet mocht . Ik kwam tot wasdom in een tijd waarin de literatuur haar dieptepunt beleefde. In de jaren zestig, toen ik vijftien werd, maakte je de allergrootste ellende mee. Heere Heeresma, Guus Luijters, alleraardigste man trouwens, geen kwaad woord, maar ze schreven van dat perfide lolbroekenproza. Toen ik D'Annunzio las, wist ik: dit gaat zo mooi over vrouwen, zo'n weergaloze stofbeheersing, zo leven in details, het ademt en smacht en zucht en zweet. Totaal anders dan wat je op school kreeg aangereikt: Lampo of Vestdijk of hoe heet die man, hij had het boek Liefde geschreven. Vinkenoog! Dat kocht ik op aanraden van een leraar, ik zie het nog in mijn kast staan, hoe kom je er weer vanaf?”

Dan zijn we bij de zee. Als in trance loopt Meijsing naar de branding, plengt wat zeewater in zijn gezicht, is duidelijk in zijn element en doet vrij achteloos de uitspraak: ,,Ik ben niet gelukkig, denk dat ook niet meer te zullen worden, maar ik heb gelukkig vrolijke buien.”

Later, in een zorgvuldig door Meijsing geselecteerd exclusief table d'hôte -restaurant, waar hij door de uitbater als een oude bekende wordt onthaald, is er gelegenheid het interview te hernemen. De schrijver verwacht weer allerlei ellende door de publicatie van Dood meisje . Tenslotte gaat het over de liefde van een oude erudiet voor een jong escortmeisje en van Meijsing is bekend dat hij uit eenzaamheid het gezelschap van zulke betaalde dames zoekt. ,,Ik word uitermate korzelig van die interesse naar wat echt gebeurd is. Alsof dat iets toevoegt. De roman is en blijft de opperste kunstvorm. Dood meisje bevat niet mijn memoires, maar het is met nadruk een roman. Uiteraard benut ik wat ik kan gebruiken, ik ben een rover en een dief en onaangenaam of gevaarlijk gezelschap voor andere mensen. Maar dat weet je als je dat duivelspact gesloten hebt, als je kunst wilt maken. Je weet dat je tekort zult komen, verraden zult worden of andere mensen zult verraden, dat je niet je deel aan liefde of trouw krijgt, want dan moet je op een andere manier leven, moet je een bepaalde hypocrisie en leugenachtigheid opbrengen om burgerlijk en welgedaan door het leven te kunnen gaan. In mijn jeugd heb ik dat gekend en sindsdien hunker ik daarnaar, maar tegelijk heb ik er zo'n ongelooflijke angst voor. Met als gevolg dat ik af en toe verdomd alleen ben, ja.”

Is dat mede een gevolg van zijn omstreden satirische roman over het literaire milieu, De grachtengordel ? ,,Welnee, ik ben al voor mijn tweede boek verscheen uit Nederland vertrokken. Ik geloofde dat de omgeving die je zelf uitzocht ook goed is voor je gemoedsgesteldheid. Dat is ook zo gebleken.”

Bij het afrekenen steekt Meijsing de gerant met een groots gebaar een Italiaanse sigaar toe. ,,Dat nooit!” roept de laatste verontwaardigd. ,,Altijd goed om even de verhoudingen duidelijk te maken,” licht de schrijver toe. En dan, hup, weer in de Pallas, op weg naar een drankgelegenheid ergens in de moerassen. Meijsing denkt terug aan de tijd dat hij debuteerde met zijn roman Erwin . ,,Ik weet dat ik midden in de nacht, ik woonde nog bij mijn ouders, werd gebeld door Jan Pieter Guépin die toentertijd voor NRC Handelsblad recenseerde. Ik had hem nog nooit ontmoet en die man zei: ik heb het eindelijk ontdekt, ik heb het door, je roman heeft een Joyceaans schema. Toen hing hij op. Later verscheen er een heel groot stuk van hem in de krant. De week daarna belde hij weer: morgenochtend moet je met me mee! Ik heb namelijk een raceauto gekocht, we rijden naar Zuid-Frankrijk. Ook Kees Fens oordeelde gunstig, in de Volkskrant . Sindsdien is er een kleine cultus ontstaan rond dat boek. Ik was zo naïef dat ik dacht met mijn debuut dertigduizend gulden te verdienen. Daar kon je in die tijd een huis voor kopen en dat trok me omdat ik in geleende huizen woonde. Maar ik beurde drieduizend gulden en heb daar tijdenlang in Italië van kunnen leven. In de winter, in lege hotels. In deze tijd is dat bedrag nog steeds veel, een debutant krijgt het niet meer. Tenzij je een vrouw bent en je rokje optilt of je tieten laat zien. Maar je kunt het schudden als je geen homo bent en wel een oudere, kalende man. Zoals mijn vriend Boudewijn van Houten die zich literair toch wel bewezen heeft - geen mens wil hem meer uitgeven.”

Volgend voorjaar zal Meijsings Erwin-trilogie weer leverbaar zijn; dan verschijnt een dundrukeditie. Hoe kijkt de schrijver terug op dat werk? ,,Erwin was een mythische held, in het eerste boek pleegt hij zelfmoord. Het tweede boek, Michael van Mander , speelt in een periode die in de tijd daarvoor speelt. Cecilia, het derde deel, is een ingewikkelde constructie, een hersenspinsel van een oude man, een redivivus. Daarna is de figuur Erwin echt opgebruikt. En, conform de ontwikkeling in de literatuur, komen na de mythische helden, de goden en halfgoden en de romantische helden uiteindelijk de antihelden. Zoals die buikspreker waar ik het eerder over had. Zulke personages zijn, anders dan Erwin, kleiner dan levensgroot, makkelijker te hanteren. Die hoofdpersonen zijn iets dommer, kunnen ook slechter zijn dan jezelf, weten ook minder, maken eenvoudiger contact met de lezer. Een mythische held als Erwin was voor mij niet vol te houden.”

,,Die ontwikkeling heeft ook met een verandering in smaak te maken. Ik las Kuifje om te leren hoe de wereld in elkaar zat. Bij Joyce vond ik de zichzelf overschattende vlegel, Stephen Hero. Van Joyce leerde ik dat een boek ook een kunstwerk kan zijn, dat je bedoelingen en kunstgrepen kunt verwerken, er encyclopedisch iets van kunt maken, dat romanschrijven het herscheppen van de wereld is. Dat inzicht heb ik vastgehouden, daarom speelt structuur in mijn boeken een grote rol. Inmiddels heb ik een bloedhekel aan Joyce gekregen, ik vind die man verschikkelijk zouteloos en vervelend. En ik kom enorm in opstand als altijd maar gezegd wordt: het is de grootste schrijver aller tijden. Wat een zak! De enige stukken van Ulysses die te pruimen zijn, zijn de naturalistische stukken.”

,,Proust is de grootste. Raak je een vriendin kwijt en je denkt dat je dood moet, dan moet je Albertine disparue lezen, het staat er allemaal in. Freud is niets vergeleken bij Proust. Proust is de man die het begrepen heeft.”

De dag van mijn vertrek scheuren we naar Avignon zodat ik nog net die TGV haal. Meijsing komt terug op een eerder aangesneden onderwerp: de kwestie van persoonlijkheid. ,,In hoeverre is het kleine jongetje dat ik ooit was de oude man die ik nu ben. Dat is een kwestie van overeenkomst en van verschil. Ik leg heel erg de nadruk op de overeenkomst, ik voel die uitgaande jubelende stemming van het verliefde kleine jongetje. Die wil dansen met het kleine meisje met de kleurpotloden; dat was mijn voormalige liefdescontact met de wereld en met vrouwen in het bijzonder. In feite zijn de verschillen tussen zo'n mannetje en een grote kale dikzak veel groter, voor andere mensen zeker. Veel groter dan de overeenkomst die ik blijf zien. In hoeverre is een persoonlijkheid coherent? Als je dicht bij iemand gaat staan, zie je een schilderij met losse stukken. Mensen zijn geen eenheid, ze worden dat slechts in sociale zin. Dat is een van de subthema's in Dood meisje : de identiteitscrisis, de vraag of identiteit door sociale omgeving wordt bepaald of dat er een bepaalde kern is.”

,,Als mensen ziek worden, geestelijk ziek, dan denken ze dat hun ware identiteit afbrokkelt en dat daardoor de sociale omgeving afbreekt omdat ze niets meer waar kunnen maken. Het is juist andersom, de sociale kanten van de identiteit brokkelen af door omstandigheden, door het lot. Daarom raakt de vermeende identiteit binnenin ook zoek. Als je helemaal geen sociale contacten hebt - in Amsterdam heb ik soms bijna helemaal zonder de buitenwereld geleefd - dan heb je bijna geen identiteit. Verdomd weinig. Dat is ook de situatie van de hoofdpersoon in Dood meisje . Hij komt in het begin uit een coma. Het meisje belandt aan het eind juist in coma. Dit boek gaat over identiteit. Wat is dat? Die man ontleent dat aan het gestoorde meisje, en die identiteit is niet te definiëren.”

,,Gewoonlijk spreek ik in de verwachting dat mijn gesprekspartner verwacht dat ik zo spreek en dat ik weet hoe hij zal reageren, min of meer, zo werkt het. Maar het interessante bij mensen met mentale stoornissen is dat die alle verwachtingen totaal doorkruisen; hun reacties zijn onvoorspelbaar. Dat verschijnsel intrigeert mij krankzinnig. Uiteraard ook om jeu aan mijn leven te geven. Iedereen die aan depressiviteit lijdt, is bang greep te verliezen op zijn bestaan en dat probeert zo iemand te voorkomen door kicks , door met veel schade ontploffingen aan te richten. Dan word je vanzelf aangetrokken door dingen die je niet kunt begrijpen. Überhaupt zijn dingen die je niet kunt begrijpen in intellectuele zin voor mij aantrekkelijker dan dingen die je wel kunt begrijpen. Dat is vanaf mijn jeugd zo geweest.”


·  GEERTEN MEIJSING, Dood meisje , De Arbeiderspers, Amsterdam, 296 blz., 790 fr.

 

_______________________